Tom Steels, de laatste der Belgische rassprinters: “Sprinter zijn, dat zit in je genen”

Tom Steels tijdens zijn topjaren bij Mapei (foto: Belga Image)

Tom Steels (48) ging fietsen omdat het in de paardensport niet lukte. Dat fietsen ging hem iets beter af, en dus ging hij koersen. Vandaag begeleidt hij renners als sportdirecteur bij Deceuninck – Quick-Step, ‘The Wolfpack’. Maar eind jaren negentig was Tom Bidon zelf één van de sterkste sprinters van het peloton: “De eerste keer dat ik een trein voor mij kreeg, dacht ik: ‘Shit, wat moet er nu gebeuren?’”

Door LUKAS OP ‘T EYNDE

“Ik ben nooit beginnen fietsen met de intentie om coureur te worden. Het was eigenlijk via mijn broer, die een fietstocht naar Compostella maakte, dat er een koersfiets bij ons in huis kwam. De lokale fietsenmaker bracht me later in contact met de wielersport. Ik had geen idee wat dat inhield of wat ik me daarbij moest voorstellen, maar zo begon ik wel aan mijn eerste wedstrijd: de Ronde van de Kempen. Ik denk dat dat bij de nieuwelingen één van de snelste wedstrijden was in die periode. De eerste twee etappes ging ik tegen de grond, maar de laatste rit was een massasprint en daar reed ik al top tien. Vanaf toen is het koersen eigenlijk stap voor stap vlotter gegaan, en als tweedejaars nieuweling had ik het vrij goed onder de knie.”

 “Al snel rolde iedereen mee in mijn carrière als renner. Deels door de goede resultaten, als je veel wint, krijg je snel een entourage. Zo had ik altijd mensen uit het dorp die meegingen naar wedstrijden. In het dorp zijn ze altijd trouwe fans gebleven. Als ik na de Tour de France thuiskwam, hingen alle vlaggen uit en vierde heel het dorp feest. Alle moeders waren dan kwaad op mij, omdat de jonge gasten hun haar lieten afscheren. Dan zie je pas echt hoe de mensen meeleven met de koers.”

Trump Tour

De eerste grote stap richting het profzijn komt er via Patrick Sercu. Steels reed begin jaren negentig nog geregeld tijdritten op de piste, het onderdeel waarin Sercu goud veroverde op de Olympische Spelen in ’64. Een prestatie die Steels niet kan benaderen en na zijn 19de plek in Barcelona in 1992 krijgt hij van Sercu de raad om alles op zijn wegcarrière te zetten. Op dat moment wordt net een semiprofessionele wielerploeg opgericht, de Eddy Merckx Vrienden. Steels krijgt uiteraard een plekje.

“De omschakeling van een lokaal Haasdoncks ploegje naar de Eddy Merckx Vrienden was zeker niet gemakkelijk. Wij reden voor het eerst internationale koersen zoals de Giro della Regione (een Italiaanse rittenkoers, red.). Ik had nog nooit langer dan een kilometer bergop gereden en plots moest ik over cols van tien kilometer, dat ging met vallen en opstaan.”

“En toen kregen we de kans om mee te doen aan de Trump Tour, een Amerikaanse rittenkoers waar ook profs meereden. In al onze naïviteit vonden we dat natuurlijk tof om eens naar Amerika te gaan, maar dat was een ronde van tien dagen met ritten van 260 kilometer. Als ik terugblik op mijn hele carrière, denk ik niet dat ik ooit meer afgezien heb dan daar. Ik herinner me nog een rit waar ik bijna alleen het achterwiel van mijn voorganger gezien heb. Uiteindelijk viel dat qua resultaten nog mee, maar de laatste rit reed ik doodop de gracht in. Dat was echt oververmoeidheid en achteraf kreeg ik klierkoorts. Ach, dat was voor ons allemaal een plezant avontuur.”

Een bizar stukje wielergeschiedenis, Trumps eigen wielerronde (foto: Wikipedia)

Sterrenensemble van Mapei

In 1994 komt Steels terecht bij Vlaanderen 2002, het huidige Topsport Vlaanderen. “Als je begint bij de profs en je bent op het einde van het jaar beter, dan heb je goed gewerkt”, predikt een verzorger daar. En Steels werkte er goed, aan het einde van het seizoen komt hij in de Ronde van de Toekomst oog in oog te staan met Erik Zabel. Het is bikkelen tot de laatste rit vooraleer Steels hem kan kloppen, maar de eerste zege tegen Zabel is een feit. Het jaar erna wordt hij tweede in Dwars Door Vlaanderen en wint hij onder meer de Memorial Rik Van Steenbergen en de Sluitingsprijs.

“Ik had niet direct het gevoel dat ik een topsprinter zou worden. Die eerste jaren was het vooral kijken waar ik terechtkwam om dan stap voor stap af te toetsen waar mijn capaciteiten lagen. Het was ook nog een periode zonder managers, dus was je afhankelijk van de opportuniteiten die op je pad kwamen. Tot mijn grote verbazing was dat Patrick Lefevere, hij vroeg of ik bij Mapei wou komen rijden. Ik denk dat hij toen al een neus had voor talent (lacht). Ineens ging ik van het kleine Vlaanderen naar het grote Italië.”

“Bij Mapei kwam ik terecht in een internationale ploeg vol vedetten. Wanneer ik op stage mijn kamer voor het eerst binnenkwam, lag die stapelvol met kledij. Er was ook de Italiaanse taalbarrière. Ik was de taal zeker nog niet machtig en was al blij wanneer ik kon vragen waar ik mijn was moest leggen. Gaandeweg paste ik me wel aan. Ik was ook al derdejaarsprof, fysiek kon ik al wat meer aan, maar ik ga nooit vergeten hoe ik in de Ronde van de Middellandse Zee voor het eerst een trein voor me kreeg. Dat waren Musseeuw, Ballerini, Tafi, Bortolami, Peeters en Bomans, toen dacht ik echt: “Shit, wat moet er nu gebeuren?”. Maar ik was jong en dan ga je daar gewoon in mee. Ik klopte bovendien meteen Mario Cipollini en dan is het vertrouwen van de ploeg in je sprinterscapaciteiten wel groot. Vanaf toen was ik gelanceerd.” (lees verder onder de video)

Aan Belgische vedetten geen gebrek bij Mapei. In 1998 stelden ze hun kopmannentrio als volgt voor.

Sprintergen

Het vertrouwen in de sprinter Tom Steels is niet onterecht. In 1996, zijn eerste seizoen bij Mapei, wint Steels de Omloop, Gent-Wevelgem en ei zo na de Scheldeprijs. Ook in de Ronde van Spanje is hij tweemaal de snelste. Sprinters zijn een ras apart, dat weet hij zelf ook.

“Het sprinterzijn, dat is genetisch bepaald. Je bent een sprinter of je bent het niet. Als je het sprintergen bezit, zijn je spiervezels gemaakt voor massasprints. Ik had dat al gemerkt toen ik nog BMX’te, korte explosieve inspanningen, die waren mijn ding. Toch is het hoofd het belangrijkste voor een sprinter. De over-mijn-lijk mentaliteit, de durf en de capaciteiten om geweldig goed met een fiets te kunnen rijden. Er zijn sprinters die risico’s nemen, maar als je op tien wedstrijden vijf keer tegen de grond gaat, is dat het teken dat je die capaciteiten niet hebt.”

“De valkuil voor sprinters is dat je ploeg altijd voor jou moet werken, dikwijls kilometers aan een stuk. Het is daarom dat je slaagkans toch vrij hoog moet zijn, een topsprinter moet zeven op tien sprints winnen. Er zijn heel weinig topsprinters die een lange periode zonder zege kunnen overbruggen. Want als je in de sprint tweede eindigt, dan ben je geklopt en heb je niet goed gereden. Dat maakt het mentaal heel zwaar. Zelfs als je voelt dat het er in zat, dat je wel had kunnen winnen, ga je twijfelen. Zolang je niet wint, is er een sluipend gif dat je wel eens heel zuur kan opbreken op lange termijn.”

Een topsprinter moet zeven op tien sprints winnen

Over ex-renner Marcel Kittel: “Een heel aparte kerel met ongelofelijke sprintcapaciteiten, maar hij begon soms iets te veel aan zichzelf te twijfelen.”

De Tour en het groen

Op 11 juli 1997 eindigt Tom Steels’ debuut in de Tour de France in mineur. Tijdens een incidentrijke sprint slaan de stoppen even door en gooit hij zijn bidon richting Franse sprinter Frédéric Moncassin. De Belgisch kampioen wordt uit de Tour gezet, maar neemt de jaren erna op gepaste wijze revanche. Hij wint in totaal negen etappes, maar de groene trui moet hij steeds aan zijn eeuwige rivaal Erik Zabel laten.

“Ik word nog regelmatig herinnerd aan het bidonincident. De uitsluiting was natuurlijk volledig terecht als je de beelden ziet. Die sprint blijft een bewuste herinnering, dat is iets wat ik niet van alle wedstrijden kan zeggen. Maar ik heb daar toen als renner enorm veel uit geleerd, erna ben ik in de sprintvoorbereidingen minder de cowboy gaan uithangen en me iets bewuster gaan positioneren.” (lees verder onder de video)

Vanaf 00:45 ziet u vanwaar de bijnaam ‘Tom Bidon’ komt.

“De Tour was apart. Als er in januari over de Tour werd gesproken, kreeg ik al een licht nerveus gevoel. Hoe dichter dat dat kwam, hoe nerveuzer ik ook werd. Nooit was de aandacht immers groter dan wanneer je de Tour reed, zeker als je ook de nationale driekleur draagt. ’s Ochtends voor een etappe en zelfs tijdens de etappe kon ik geen woord uitbrengen. Maar ik wist dat die nervositeit nodig was en eens ik het bordje van de laatste 20 kilometer zag, daalde er een rust over mij heen. Dan was ik bezig met mijn job: positie houden en het vervolgens afmaken. Zeker tijdens de periode met Zanini als ploeggenoot wist ik dat ik sowieso in een positie zou komen waarin ik voor de zege kon gaan. Dat was een enorme geruststelling.”

“Dat ik nooit de groene trui won, is zeker geen grote frustratie. Daarvoor ben ik nooit naar de Tour gegaan. Ik had trouwens een hekel aan tussensprints, terwijl Zabel voor alle punten ging. Als er, bij wijze van spreken, in een rit honderd tussensprints waren, sprintte Erik honderd keer mee. Bij mij lag de focus puur op etappezeges. Touretappes zijn voor sprinters wereldkampioenschappen. Dat is iedere keer het mes tussen de tanden en vechten tegen elke mogelijke tegenstander. In Frankrijk als eerste over de streep komen, is het hoogst haalbare voor een sprinter.”

In Frankrijk als eerste over de streep komen, is het hoogst haalbare voor een sprinter

Over Mario Cipollini: “Bij Cipollini bleef je uit de buurt, maar dat had vooral te maken met zijn charisma. Een buitenbeentje en één van de weinige renners die ook lachend rondreed als hij een week niet won.”

Over eeuwige rivaal Erik Zabel: “Wij waren moeilijke tegenstanders. Tijdens wedstrijden gunden wij elkaar geen millimeter.”

Ziekte en blessures

Zijn laatste succesvolle Tour in 2000 breekt Steels uiteindelijk zuur op. Ondanks ziekte vooraf komt hij er aan de start en het ziektebeestje blijft hem jaren achtervolgen. Pas in 2004, wanneer hij al twee jaar bij Landbouwkrediet rijdt, voelt hij dat hij terug de oude is. Het kost hem zo uiteindelijk wel enkele kostbare jaren en een unieke kans.

“Het WK in Zolder (2002) was mijn enige kans om wereldkampioen te worden. Het is jammer dat ik daar nooit volop in de wedstrijd kon zitten doordat ik in 2000 ziek was geworden en nooit echt volledig gerecupereerd was. Toen ik in 2004 voor de vierde keer Belgisch kampioen werd, wist ik dat ik er eindelijk door was. Ik ben na dat seizoen naar Lotto gegaan, dat was een sterke ploeg met veel toppers, maar dan ging het fysiek weer mis. Ik brak mijn schouder in Roubaix en in de Ronde van Spanje viel ik zo zwaar dat de huid van mijn knieschijf volledig weg was. Dat was weleens mooi om de binnenkant van mijn knieschijf te zien, maar praktisch is dat niet.”

“Ik had toen al twee jaar verspeeld met de ziekte en die nieuwe blessures vroegen natuurlijk ook hersteltijd. Na mijn zware val zat ik een maand in een rolstoel en door de lange revalidatie heb ik nooit nog mijn beste niveau gehaald. In 2008 heb ik uiteindelijk besloten om te stoppen, ik was 15 jaar prof geweest en de motivatie was voor een stuk weg. Dat was een heel raar jaar, omdat je beseft dat het je laatste jaar is, maar ik heb geen moment spijt gehad dat ik toen gestopt ben. Er waren ook nog genoeg dingen waar ik me mee kon bezighouden in de wielerwereld.”

In 2004 pakt Steels zijn vierde en laatste Belgische titel in Tessenderlo. (Foto Tim De Waele/Getty Images)

Donderdag volgt deel twee van dit interview. Daarin praten we met Steels over zijn job als sportdirecteur, de unieke sfeer bij Deceuninck – Quick-Step en de huidige ‘Steelsen’ binnen het peloton.

Een gedachte over “Tom Steels, de laatste der Belgische rassprinters: “Sprinter zijn, dat zit in je genen”

Plaats een reactie